Indonesische gerechten gebruiken veel verschillende kruiden, bij voorkeur vers, maar als het niet anders kan gedroogd of gemalen. Gelukkig kunnen ze tegenwoordig bijna allemaal in de supermarkt of bij de toko gevonden worden.
Gember (jahe) - de wortel van de gemberplant. Makkelijk vers te krijgen, maar ook als poeder.
Kentjoer (kencur) - een zeldzamere wortel, maar bij toko te vinden als poeder.
Geelwortel (kunyit, kurkuma) - een rode wortel die bij het vermalen geel wordt. Soms vers te krijgen, maar in het algemeen makkelijk te vervangen door het gele poeder. De functie is feitelijk alleen om gerechten geel te maken. Het blad van deze plant (daun kunyit) wordt soms in gerechten gebruikt om ze een frisse smaak te geven, maar is moeilijk te krijgen (wij hebben onze eigen plant daarvoor).
Laos (lengkuas) - een wortel die vers te vinden is bij toko. Hij hoeft niet geschild te worden maar moet even gekneusd worden met de stamper van een vijzel of de achterkant van een keukenmes voor het gebruik. Het poeder smaakt nogal anders dan de verse wortel.
Sereh - makkelijk te vinden in de supermarkt. Snijd in stukken en kneus met een stamper voor gebruik.
Limoenblad - blaadjes van de limoenstruik. Geven een frisse smaak aan gerechten.
Salamblad (daun salam) - een blad vergelijkbaar met laurierblad, maar met een andere smaak.
Pandan - blad van de pandanstruik. Geeft een aromatische smaak aan gerechten. Kan ook tot een groene pasta vermalen worden die vaak in cake en nagerechten wordt gebruikt.
Basilicum (daun kemangi) - niet de Europese, maar de Aziatische basilicum. De aziatische is zoeter dan de Europese.
Koriander (ketumbar) - zaden van de korianderplant, vrijwel alleen als poeder te krijgen. Het blad van de plant wordt ook gebruikt, maar heeft een totaal andere smaak dan de zaden.
Karweizaad (Jintan) - gewoonlijk als poeder te vinden.
Venkelzaad (adas) - meestal als hele zaden te koop.
Kardemom (kapulaga) - zwarte zaden in peulen die gekneusd moeten worden.
Kaneel (kayu manis) - de letterlijke vertaling van het Indonesische is “zoethout”, maar kaneel is de schors van een boom. Wordt in feite aleen als stokjes gebruikt, niet gemalen.
Steranijs (bunga lawang, pekak) - wordt in zijn geheel gebruikt, niet gemalen.
Nootmuskaat (pala) - de reden waarom het kolonialisme begon, want dit groeide veel op de Molukse eilanden. De noten moeten gemalen worden of je gebruikt gewoon het poeder.
Comments
Post a Comment